Basistips fotografie: Witbalans

De reeks ‘Basistips fotografie’ is hier om jou de knoppen op je camera net wat beter te leren begrijpen. Witbalans zorgt voor de kleur van een foto. Blauwe sneeuw of een gele huiskamer? Witbalans is de boosdoener!
De witbalans is zowel op kleinere camera’s als op menig spiegelreflex camera te vinden via het menu op de camera.

Witbalans

Heb  je blauwe sneeuw of een gele huiskamer op de foto gezet? Dat komt door de witbalans. De witbalans bepaalt de kleur van je foto. Op veel camera’s staat de witbalans standaard op automatisch, maar iedere camera heeft ook een speciaal menu om de witbalans aan te passen. Daarin staan opties als ‘schaduw’, ‘daglicht’ en ‘flits’. Als je de witbalans aan de lichtomstandigheden aanpast, krijg je over het algemeen veel betere foto’s.

Voorbeelden

witbalans, fout, tips, fotografie witbalans, goed, tips, fotografie

Links: Witbalans is fout | rechts: Witbalans is goed

(klik op de foto’s om ze te vergroten)

Als het zonnetje schijnt is het verdomd lastig om een foto te maken die niet oranje of gelig wordt. De witbalans kan je in dit geval helpen. Stel hem in op ‘zonnig’ en de camera neutraliseert de kleuren.

witbalans, fout, tips, fotografie, sneeuw witbalans, goed, tips, fotografie, sneeuw

Links: Witbalans is fout | rechts: Witbalans is goed

(klik op de foto’s om ze te vergroten)

Als het sneeuwt, laat je je camera natuurlijk niet binnen liggen. Maar, hoe kom je af van die blauwe gloed? Stel je witbalans in op ‘schaduw’ en het meeste blauw zal al snel verdwijnen.

Meer weten over witbalans?

Kenneth Verburg van Digitale Fotografietips heeft een uitgebreide uitleg over witbalans geschreven.

Bekijk hier de andere delen uit de reeks Basistips fotografie:
- Basistips fotografie: Diafragma
- Basistips fotografie: ISO
- Basistips fotografie: Sluitertijd

Basistips fotografie: Sluitertijd

De reeks ‘Basistips fotografie’ is hier om jou de knoppen op je camera net wat beter te leren begrijpen.  De sluitertijd bepaald hoe licht en scherp je foto is.

Sluitertijd

Sluitertijd bepaalt hoe licht en scherp je foto is oftewel hoelang er licht er op de sensor – het oog van je camera – valt en hoeveel details er op een foto zichtbaar zijn. De sluitertijd wordt berekend in (fracties van) seconden. Bijvoorbeeld: 5, 20, 160, 500, 1600 en 3200. Dit betekent eigenlijk 1/160 seconden, 1/500 seconden etc. De sluitertijd wordt in een spiegelreflexcamera bepaald door een spiegel die tijdens het maken van de foto wordt omgeklapt. De spiegel blijft omgeklapt voor de tijdsduur van de ingestelde sluitertijd (de sluiter staat ‘open’). Als de de spiegel weer terugklapt hoor je het typische klik-geluid van een spiegelreflexcamera.

Een simpele manier om dit alles te onthouden: hoe hoger het getal, hoe – over het algemeen – donkerder en scherper de foto. Hoe lager het getal, hoe – over het algemeen – lichter de foto.

Voorbeelden

Op alle foto’s gebruikte ik ISO 250 (voor meer info, zie Basistips fotografie: ISO) en f/2 (voor meer info, zie Basistips fotografie: diafragma).

Links: Sluitertijd 1/4000

(klik op de foto om hem te vergroten)
Naar mijn mening is deze foto het best belicht. Ik zeg ‘naar mijn mening’, omdat sluitertijd ontzettend subjectief is. Het is stijl. Over- of onderbelicht kan mooi zijn.

Links: Sluitertijd 1/8000

(klik op de foto om hem te vergroten)
Ik heb een hoger getal gekozen en je ziet meteen dat de foto donkerder en nog scherper wordt.

Links: Sluitertijd 1/800

(klik op de foto om hem te vergroten)
Een relatief lage sluitertijd (in verhouding met ISO en diafragma) en de foto wordt meteen overbelicht. Details verdwijnen hierbij.

Rechts: Sluitertijd 1/2500

(klik op de foto om hem te vergroten)
Op zich is deze foto goed belicht. Toch heb ik ervoor gekozen de sluitertijd in de ‘beste’ foto (zie hierboven) nog even omhoog te gooien. Daarbij wordt de kan nog scherper.

3 Sluitertijd tips

1. Onscherpte komt vaak doordat je de camera beweegt terwijl de sluiter nog ‘open staat’. Er is een foefje om de kans op onscherpte te verkleinen: de sluitertijd moet minstens de brandpuntafstand van je lens zijn. Bij een 50mm lens is de sluitertijd dus minimaal 1/50 seconden en bij een 200mm lens, 1/200 seconden. Als je een bewegend onderwerp wilt ‘bevriezen’ is een sluitertijd van twee keer het brandpuntafstand. Bij een 50mm lens dus /100 seconden en bij een 200mm lens 1/400 seconden. Bij een lange sluitertijd (lage getallen) helpt een statief ook.
2. Zien wat er aan de binnenkant van een camera gebeurt als je met de sluitertijd speelt? Kenneth Verburg van Digitale Fotografietips plaatste een link naar deze filmpjes van James Pearman.
3. Als je fotografeert, richt je de lens altijd op iets en waar je op richt, beïnvloedt de sluitertijd. Als je tijdens de zonsondergang bijvoorbeeld op de lucht richt en daarna pas je foto maakt, zal de lucht goed belicht zijn en de voorgrond donker worden. Je creërt dan een silhouet-effect zoals op de foto hieronder (klik voor de grote versie).

silhouet, sluitertijd, tips, fotografie, melanie caitlin

Op kleinere camera’s vind je de sluitertijd als getal op het scherm of via het menu. Op spiegelreflexcamera’s bestaat een aparte knop aan de boven- of achterkant van de camera.

Bekijk hier de andere delen uit de reeks Basistips fotografie:
- Basistips fotografie: Diafragma
- Basistips fotografie: ISO
- Basistips fotografie: Witbalans

Basistips fotografie: Diafragma

De reeks ‘Basistips fotografie’ is hier om jou de knoppen op je camera net wat beter te leren begrijpen.  Dit keer diafragma: dé knop die je achtergrond zo mooi onscherp maakt.

Diafragma

Soms is een object of persoon op een foto heel erg scherp en de achtergrond heel erg wazig. Dit effect heet scherptediepte en komt door diafragma. Diafragma bepaalt hoeveel licht de sensor – het oog van je camera – bereikt. Diafragma werkt in stappen (door fotografen ‘stops’ genoemd): f/1, f/1.1, f/1.2, f/1.4, f/1.6, f/1.8, f/2, f/2.2, f/2.5, f/2.8, f/3.3, f/3.5, f/4, f/4.5, f/5, f/5.6, f/6.3, f/7.1, f/8, f/9,  f/10, f/11, f/13, f/14, f/16, f/18, f/20 en f/22.

“Een simpele regel om dit alles te onthouden: hoe hoger het getal hoe donkerder en scherper de foto (klein diafragma), hoe lager het getal hoe lichter de foto en hoe meer scherptediepte er ontstaat (groot diafragma).”

Voorbeelden

diafragma, 2.8, tips, fotografie diafragma, 5.6, tips, fotografie

Links: f/2.8

(klik op de foto om hem te vergroten)
Op deze foto heb ik gefocust op het blad van het katoenbolletje in het midden. Doordat het diafragma op 2.8 is ingesteld, zie je dat alleen het blad van het katoenbolletje scherp is. De rest is wazig en de achtergrond zie je haast helemaal niet. De bolletjes die in de wazige achtergrond ontstaan (vooral zichtbaar rondom de takken links) heten bokeh.

Rechts: f/5.6

(klik op de foto om hem te vergroten)
Op deze foto heb ik gefocust op het blad van het katoenbolletje in het midden. Doordat het diafragma op 5.6 is ingesteld, zie je dat het blad scherp is, maar ook dat de bruine takken en de glitter takken al iets scherper worden. Tevens wordt het torentje in de achtergrond al een beetje zichtbaar.

diafragma, 11, tips, fotografie diafragma, 20, tips, fotografie

Links: f/11

(klik op de foto om hem te vergroten)
Ook op deze foto heb ik op het blad van het katoenbolletje in het midden gefocust. Je ziet dat de takken met f/11 al bijna helemaal scherp zijn en nu ook de auto in de achtergrond zichtbaar wordt.

Rechts: f/20

(klik op de foto om hem te vergroten)
Op deze foto is wederom gefocust op het blad in het midden. Nu is de achtergrond helemaal zichtbaar.

3 Diafragma tips

1. Diafragma werkt in stappen. Elke stap heeft een halvering van het licht in je foto tot gevolg. Als je een hoger getal gebruikt, moet je de sluiter tijd ook verlengen om hetzelfde licht te krijgen. Als je een lager getal gebruikt, moet je de sluitertijd verkorten om dezelfde belichting te krijgen.
2. Als je veel scherpte-diepte in een foto wilt, gebruik dan f/5.6 of lager. Als je gebruik maakt van de zoomfunctie op je cameralens wordt het het effect nog eens versterkt.
3. Een leuke tip van DIY Photography: creër je eigen bokeh, bijvoorbeeld in de vorm van hartjes.

Op veel camera’s kun je het diafragma zelf bepalen en helpt de camera je automatisch aan de juiste sluitertijd. Deze knop heet op Canon camera’s Av en op Nikon camera’s A. Je vindt de knop op kleinere camera’s op het scherm of via de menuknop en op spiegelreflexcamera’s op de boven- of achterkant van de camera.

Bekijk hier de andere delen uit de reeks Basistips fotografie:
- Basistips fotografie: ISO
- Basistips fotografie: Sluitertijd
- Basistips fotografie: Witbalans

Basistips fotografie: ISO

De reeks ‘Basistips fotografie’ is hier om jou de knoppen op je camera net wat beter te leren begrijpen.  Dit keer ISO, een oude bekende en niet altijd in positieve zin. Het kan vooral in het begin erg lastig zijn om te onthouden welke ISO-waarde je wanneer gebruikt. Dat maakt helemaal niet uit. Met deze handleiding en wat oefenshoots wordt het binnen no time een tweede natuur!

ISO

ISO of lichtgevoeligheid beïnvloedt de belichting van je foto’s. Als je foto’s te licht of te donker zijn, dan is ISO één van de instelling waar je naar kunt kijken (voor de andere instellingen, zie: Basistips fotografie: Diafragma en Basistips fotografie: Sluitertijd). De meest voorkomende ISO-waarden zijn 100, 200, 400 en 800. Afhankelijk van je camera bestaan ook 250, 320, 500, 640, 1000, 1250, 1600, 2000, 2500 en 3200. ISO bepaalt hoe snel de sensor – zeg maar, het oog van jouw camera – reageert op het licht van buitenaf. Je ISO goed instellen is dus afhankelijk van de lichtsomstandigheden.

“Een simpele regel om dit alles te onthouden: hoe hoger de ISO hoe lichter de foto, hoe lager de ISO hoe donkerder de foto.”

Drie voorbeelden

In de zon/fel licht

- Gebruik een lage ISO (100 of 200) omdat er al genoeg  licht is. Jouw camera hoeft dus niet te compenseren. Bovendien zijn je foto’s van betere kwaliteit als de ISO laag is. Op onderstaande foto gebruikte ik ISO 200. Als ik een hogere ISO had gebruikt, had de foto overbelicht geweest.

portret, amsterdam, broer, zus, ISO

Op een grauwe dag

- Er is wel licht, maar niet genoeg voor de sensor. Daarom moet je camera compenseren. Gebruik ISO 320 t/m 640. Op onderstaande foto gebruikte ik ISO 640. Als ik een lagere ISO had gebruikt, was de foto te donker geworden en bij een hogere ISO had de foto overbelicht geweest.

Ack van Rooyen, Ack van Rooijen, ISO, fotografie

In het donker

-  Er is haast geen licht en je camera moet ontzettend veel compenseren. Gebruik een hoge ISO (800 of hoger). Nadeel van een hoge ISO is wel dat je foto’s ruis zullen vertonen.  Op onderstaande foto gebruikte ik ISO 1600. Bij een lagere ISO was de foto te donker en misschien zelfs helemaal zwart geworden.

Nina Kinert, live, ISO, fotografie

ISO heeft vaak een apart knopje op je camera. Op kleinere camera’s zal de ISO functie op het beeldscherm te zien zijn en kun je er via je menu-instellingen komen. Op spiegelreflexcamera’s heeft ISO een fysieke knop aan de achter- of bovenkant van de camera. Met het zogenaamde ‘draaiwiel’ kun je de waarden verhogen of verlagen.

Bekijk hier de andere delen uit de reeks Basistips fotografie:
- Basistips fotografie: Diafragma
- Basistips fotografie: Sluitertijd
- Basistips fotografie: Witbalans